PDF Afdrukken E-mail

TUSSENKOMST JOHAN VERSTREKEN BIJ BESPREKING INFORMATIEVERSLAG KLIMAATDOELSTELLINGEN

Op vrijdag 27 januari werd in de plenaire vergadering van de Senaat gestemd over het informatieverslag over het intra-Belgische besluitvormingsproces inzake burden sharing met betrekking tot klimaatdoelstellingen. Het informatieverslag, dat 26 aanbevelingen bevat, kwam tot stand na hoorzittingen met experten en vertegenwoordigers van ngo'€™s in de commissie Transeverale Aangelegenheden van de Senaat. Deelstaatsenator Johan Verstreken volgde als verslaggever de hoorzittingen nauwgezet op en bracht verslag uit in de plenaire vergadering. Hieronder leest u zijn tussenkomst.

Tussenkomst Johan Verstreken voor de bespreking van
het informatieverslag over het intra-Belgisch besluitvormingsproces inzake burden sharing met betrekking tot klimaatdoelstellingen

Al verschillende eeuwen maken we als mensheid intensief gebruik van grondstoffen zoals steenkool, aardolie en aardgas. Enerzijds doen ze dienst al brandstof. Want ze zijn relatief vlot om te zetten in warmte. Dat maakt ze uitermate geschikt om voor het nodige comfort in onze woningen en gebouwen te zorgen maar ook als bron van energie om heel diverse industriele processen aan te drijven. Anderzijds zijn het de grondstoffen voor heel wat producten die we in ons dagelijks leven gebruiken: van het plastiek zakje dat we krijgen in de winkel over de meeste kleren die we dragen tot de diesel en benzine voor onze auto. Die fossiele brandstoffen lijken daardoor op geen enkele manier meer uit ons leven weg te denken. De uitstoot van CO2 die gepaard gaat met het gebruik van die fossiele brandstoffen hebben we er altijd bijgenomen. Die werd de lucht ingeblazen. Op welke manier zouden we daar dan nog last van kunnen hebben?
Pas in de loop van de twintigste eeuw werd de effectieve impact van al die CO2-uitstoot duidelijk. De temperatuur van onze aarde bleek op te lopen. Ondertussen heeft de wetenschap ontegensprekelijk aangetoond dat de CO2 die gedurende miljoenen jaren opgeslagen heeft gezeten in de grond en die wij als mensheid in enkele honderden jaren de lucht hebben ingeblazen de voornaamste oorzaak van die opwarming van de aarde is.
Maar het brede publiek had nog wat meer tijd nodig om zich echt bewust te worden van dat probleem. Want wat konden die fracties van graden dat de aarde opwarmde een probleem zijn? Tien jaar geleden, met de film '€œAn inconvenient truth'€ van Al Gore, maakte het brede publiek dan echt kennis met het fenomeen en de gevolgen van '€œde opwarming van de aarde'€ waardoor mensen meer en meer gingen beseffen dat die opwarming echt afgeremd diende te worden.
Op dit moment zijn het uitzonderingen, de mensen die denken dat we broeikasgassen kunnen blijven uitstoten zonder enige beperking en zonder ons zorgen te maken over onze toekomst en die van onze kinderen en kleinkinderen. Spijtig genoeg lijkt de kersverse president van de Verenigde Staten van Amerika, die het klimaatprobleem een hoax noemt, een van hen te zijn. Hopelijk gaat hij en met hem al zijn medestanders ooit, maar hoe sneller hoe liever, inzien dat niets doen tegen de opwarming van de aarde heel ernstige gevolgen zal hebben voor iedereen op deze wereld: het zeeniveau zal stijgen waardoor eilanden maar bijvoorbeeld ook onze kust en een deel van het Vlaamse binnenland zal verdwijnen onder water, de woestijn zal uitbreiden met toenemende hongersnood tot gevolg en er zullen zich veel meer stormen voordoen, ook in Vlaanderen en Europa.

De reeks '€œAls de dijken breken'€ die enkele weken geleden werd uitgezonden op een maakt voor mij als Oostendenaar, bijna pijnlijk, duidelijk tot wat die opwarming van de aarde aanleiding zou kunnen geven. Voor mij en voor ons als CD&V, is het duidelijk dat we al het mogelijke moeten doen om onze bevolking en de wereldbevolking in het algemeen, van dit horrorscenario te besparen. Want als een goed huisvader moeten we zorg dragen voor het Vlaanderen van onze kinderen en kleinkinderen. Ook Vlaanderen moet haar bijdrage leveren aan het afremmen van de opwarming van de aarde. Daarom hebben wij in het Vlaams Parlement mee geschreven aan de klimaatresolutie voor een sterk Vlaams klimaatbeleid die op 23 november 2016 kamerbreed is goedgekeurd.

12 december 2015 was een belangrijke dag voor het mondiale klimaatbeleid. 195 landen werden het in Parijs eens over een ambitieus klimaatakkoord. Een van de belangrijkste afspraken die in het akkoord staat ingeschreven, is de doelstelling om de opwarming van de aarde ruim onder de 2 °C te houden en er naar te streven om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 1,5 °C. Of anders gezegd: heel de wereld erkent de dringende nood aan een doordacht klimaatbeleid die de opwarming van de aarde zoveel als mogelijk moet beperken, bij voorkeur tot maximaal 1,5 °C. Deze doelstelling is alleen waar te maken als we het gebruik van de fossiele brandstoffen, waar we zo afhankelijk van lijken, gaan afzweren en evolueren naar een koolstofarme samenleving die in veel mindere mate of zelfs helemaal niet afhankelijk is van fossiele brandstoffen. Door een snelle ratificatie is dit akkoord ondertussen sinds 4 november 2016 ook effectief in werking getreden.
De Europese Unie is altijd een voortrekker geweest als het op klimaatbeleid aankwam. Met haar voornemen om de uitstoot van broeikasgassen met 40% te reduceren ten opzichte van de uitstoot in 1990 heeft de Europese Unie in Parijs opnieuw het goede voorbeeld gegeven aan de rest van de wereld en was het de drijvende kracht achter het ambitieus klimaatakkoord dat toen werd afgesloten. Zoals toegelicht in de hoorzittingen ter voorbereiding van het informatieverslag heeft de Europese Commissie die reductie van 40%, rekening houdende met het BBP van de lidstaten en wat technisch haalbaar is, vertaalt naar een bindende reductiedoelstelling voor elk van de lidstaten. Voor Belgie wordt een reductie van 35% vooropgesteld. Dit cijfer ligt nog niet definitief vast maar het is weinig waarschijnlijk dat die reductiedoelstelling nog naar beneden wordt bijgesteld. In Belgie moeten nu de gesprekken starten over hoe deze doelstelling verdeeld zal worden over de deelstaten. Wat ons betreft is een herhaling van de meer dan 6 jaar durende processie van Echternach die werd opgevoerd voor de verdeling van de 2020-doelstellingen niet aan de orde. Dit moet sneller en vlotter kunnen. Daarom hebben we graag en met veel interesse meegewerkt aan het informatieverslag dat hier vandaag ter goedkeuring voorligt en 26 aanbevelingen in die zin omvat. Graag ga ik dieper in op enkele van deze aanbevelingen die voor ons erg belangrijk zijn.

Een eerste belangrijke aanbeveling vinden wij de derde aanbeveling uit het informatieverslag. Deze stelt dat de drie gewesten en de federale overheid moeten streven naar een maximale samenwerking en coherentie in hun klimaatbeleid. Wat dus absoluut niet kan is dat het klimaatbeleid van de ene entiteit dat van de anderen stokken in de wielen zou steken en op die manier het realiseren van de doelstellingen van die entiteit zou bemoeilijken. Daarom moet volgens onze fractie het mutualiteitsprincipe voor zowel de federale als de gewestelijke overheden het uitgangspunt zijn bij het uittekenen van hun respectievelijke klimaatbeleid. Dit betekent praktisch dat elke entiteit dient na te gaan wat de eventuele impact van maatregelen is op het klimaatbeleid van een andere entiteit en zo mogelijk een beleid voert dat de effectiviteit van de maatregelen van alle andere beleidsniveaus versterkt.
Dat andere beleidsniveaus effectief impact hebben op het gewenste klimaatbeleid blijkt duidelijk uit de Vlaamse klimaatresolutie. Deze omvat een hele lijst van aanbevelingen die de Vlaamse Regering, rekening houdende met de bevoegdheidsverdelingen, noodgedwongen dient te bespreken met het federale, het Europese of het gemeentelijke beleidsniveau. Een coherent en beleidsniveau overschrijdend klimaatbeleid met dialoog en samenwerking is dus heel erg belangrijk, ook om eigen doelstellingen waar te maken.

Aanbeveling dertien vraagt om te komen tot een harmonieus monitoring- en rapportagesysteem dat gebruikt zal worden door alle institutionele niveaus en tegemoet komt aan de Europese monitoring- en rapportagemechanismen. Daarbij zouden de methodes voor monitoring en prognoses die de verschillende entiteiten hanteren om de broeikasgasemissies te ramen en de impact van de beleidslijnen en maatregelen te evalueren, moeten worden geharmoniseerd. Onze fractie heeft deze aanbeveling voorgesteld omdat uit de verschillende hoorzittingen duidelijk naar voor kwam dat zowel de federale overheid als de gewesten hun cijfergegevens met betrekking tot klimaat op een andere manier bijhouden en aanleveren. Daarenboven bleek dat die verschillende monitorings- en rapporteringsmethodes een belangrijke bron van vertraging zijn bij de gevoerde besprekingen en de zoektocht naar een overeenkomst binnen de nationale klimaatcommissie. Deze bron van verwarring en vertraging moet weggewerkt worden door te komen tot een uniforme methode voor monitoring en prognose die niet bediscussieerd wordt en door alle entiteiten wordt toegepast.

Zoals in aanbeveling dertien, veertien en zestien staat, moet de nationale klimaatcommissie ten volle haar bevoegdheden kunnen uitvoeren zoals die staan beschreven in het samenwerkingsakkoord van 14 november 2002. Dit zijn voor ons zeker en vast het leveren van transparantie ten opzichte van het maatschappelijke middenveld en het organiseren van de parlementaire voortgangsbewaking. Via een herziening van dat samenwerkingsakkoord willen we de rol, de slagkracht en de werking van de Nationale Klimaatcommissie wel verder versterken. Daarbij kan het analysedocument dat de administratie in 2013 opmaakte over de Nationale Klimaatcommissie heel wat nuttige informatie opleveren. Daarbij vinden we het ook een goed idee om van de nationale klimaatcommissie een center of excellence met betrekking tot klimaat en klimaatbeleid te maken.

We zijn ook erg blij dat aanbeveling drieentwintig met betrekking tot een grotere parlementaire betrokkenheid bij het klimaatbeleid, via een interparlementair overlegorgaan, is opgenomen in het informatieverslag. Dit overlegorgaan moet minstens tweemaal per jaar samenkomen om het klimaatbeleid op te volgen en te dialogeren over de al dan niet geboekte vooruitgang. Het recente verleden heeft aangetoond dat de publieke aandacht die gepaard gaat met een volwassen parlementaire opvolging het bereiken van een akkoord zeker niet hoeft te bemoeilijken, integendeel. Zoals we met het mutualiteitsprincipe al aanhaalde zal een beleidsniveau overschrijdende dialoog tussen de verschillende overheden en dus met inbegrip van hun parlementen, daarbij erg belangrijk zijn.
Beleidsniveau overschrijdende samenwerking zal ook noodzakelijk zijn wanneer het voornemen van de Europese Commissie om een energie- en klimaatsemester in te voeren praktijk wordt. Dan zal elke lidstaat verplicht zijn om jaarlijks een energie- en klimaatplan en -rapport op te maken en in te dienen bij de Europese Commissie. Elke lidstaat moet klimaatdoelstellingen voor het volgende jaar voorop stellen en deze voorleggen aan de Europese Commissie. Via een rapport moet elke lidstaat na afloop van dat jaar uitleggen hoe het klimaatbeleid er in de voorbije 12 maanden heeft uitgezien of de vooropgestelde doelstellingen voor dat jaar werden gehaald en welke eventuele bijsturingen er in het beleid zullen gebeuren om de doelstelling alsnog te halen. Het lijkt onze zeker aangewezen om zowel dat energie- en klimaatplan als €“rapport te bespreken in dat interparlementair overlegorgaan. Als partij zijn we al langer vragende partij voor dergelijke interfederale samenwerking om te komen tot een breedgedragen energievisie voor ons land.

De voorzitter van onze commissie schrijft in de inleiding van zijn verslag dat de mensensoort voor een lakmoesproef staat. Waarbij de vraag is of de mensheid haar gedrag en de ongewilde gevolgen ervan op het klimaat zal kunnen bijsturen? Voor ons is het klaar en duidelijk dat er echt niets anders op zit.
Hoewel fossiele brandstoffen op geen enkele manier uit ons leven lijken weg te denken, zullen we toch definitief moeten evolueren naar een koolstofarme samenleving die veel minder of zelfs helemaal niet afhankelijk is van die fossiele brandstoffen. Dat zal de enige juiste aanpak zijn om onze uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen drastisch te verminderen. Op Europees niveau met 40% tegen 2030 en met 80% tot 95% tegen 2050. Deze uitstootreductie waarmaken vraagt zowel inspanningen van de overheid als een mentaliteitsverandering van de mensen. Maatregelen zijn noodzakelijk in heel wat verschillende sectoren zoals de overheid, de transportsector, de bedrijven, de energiesector, de gebouwen en in de landbouw. Daarbij mag ook de impact van ruimtelijke ordening op het klimaat zeker ook niet onderschat worden.
Wat de resolutie voor een sterk Vlaams klimaatbeleid ons leerden is dat we in elk geval geen schrik hoeven te hebben van dergelijk doorgedreven, verstandig en ambitieus klimaatbeleid omdat dit heel wat opportuniteiten voor de economie van Belgie en haar deelstaten zal bieden. Het uitstippelen van dat klimaatbeleid zullen we samen en in overleg moeten doen omdat dit de enige juiste manier is om het best mogelijke resultaat te bereiken.

Ik dank u!